Kauwgom

Lang geleden kauwde men al op verschillende soorten natuurlijke gom, afkomstig van verschillende bomen. De bekendste is de Arabische gom, die nu vooral in drop gebruikt wordt. De Grieken kauwden vroeger op de mastische gom, terwijl in Amerika de Maya’s op een soort hars kauwden, dat afkwam van Sapodillabomen. In de 18e eeuw kwamen kolonisten in contact met de indianen. Zij namen zij deze gewoonte over en begonnen zelf met het winnen van het witte sap. De winning lijkt op het winnen van rubber. Door een inkeping in de schors van de boom, stroomt het sap vanzelf naar buiten. Dit sap werd ingedikt totdat er een kleverige kauwbare substantie ontstond. Vaak werd bijenwas toegevoegd om het kneedbaarder te maken. Ook vroeger had het kauwen op gom twee functies: ter ontspanning en als mondverfrisser.

In 1848 werd de eerste commerciële kauwgum gemaakt. In eerste instantie van sap van bomen, maar al in 1850 werd voor de basis van de gom overgegaan op het gebruik van paraffine, dat wordt gewonnen uit aardolie. Het leverde een betere kwaliteit kauwgum dan het dennensap, door de verminderde verontreinigingen en bijsmaak. In de 19e eeuw ontstond voor het eerst kauwgom met smaak, wat resulteerde in de eerste patentaanvraag voor kauwgom in 1869.

Technologische ontwikkelingen maakten dat kauwgom zijn smaak langer behield. Ook kwamen er meer smaken. De suikervrije kauwgom deed zijn intrede rond de jaren 60, maar sloeg echter pas aan in de jaren 90.
In Nederland was kauwgum voor de tweede wereldoorlog al wel bekend, maar nauwelijks gebruikt. Door de invloed van de Amerikaanse en Canadese soldaten, bij wie kauwgom standaard in het voedselpakket zat, werd ook Nederland ‘kauwgomgek’.